













we zijn levende lijven en willende geesten
wij zijn beiden aan te raken en verliezen tijd
met iedere herinnering die wordt geclassificeerd en later hervormd
maar in dit lastig gegeven zijn we samen vriend
jij kijkt naar mij met je blauwe ogen
en ik begrijp
dat er niet zoiets bestaat als baas en hond

ik kom tot leven in de tussentijd
rook die opgaat in de zon
een sirene die vervlochten en verdwaald raakt
in het lied van een merel
het dansende licht op PVC
ongewild verbonden
zijn we even één enkel bestaan

ik kijk achterom en zie
mijn gezicht zichzelf vermenigvuldigen doorheen de tijd
je zoekt mij in de tussenruimten
ik ben gevlochten in mijn oneindige sprong

is ooit geweest
